Alle lessen Module 2: Pols Les 2
Beschrijven voor je benoemt
Hoe beschrijf je een pols in acht kenmerken, zodat een ander hem herkent?
Na deze les beschrijf je een pols in acht kenmerken met per kenmerk één vaste vraag, weet je per kenmerk waarmee je het verwart, tel je het tempo per ademhaling en per minuut, schrijf je een polsverslag dat een collega kan nalezen, kalibreer je met een collega, en lees je de 28 kwaliteiten als formules van kenmerken.
Uit het hoofd
- Acht kenmerken, vier paren. Plek: diepte en lengte. Klok: tempo en ritme. Maat: breedte en kracht. Stroom: gladheid en spanning; ezelsbrug: plek, klok, maat, stroom.
- Acht vragen. Waar het sterkst? Hoeveel per minuut? Valt er een slag weg? Hoe breed? Over hoeveel posities? Duwt hij terug als je drukt? Rolt of hort hij? Strak of soepel?
- Vijf verwarringen. Zwak met diep (druk door); breed met sterk (breed kan zacht zijn); strak met sterk (wiry kan zwak zijn); een trage pols met je eigen snelle adem (tel met de klok); de ademhaling met een onregelmatige pols (iets sneller bij inademen is normaal).
- Tempo. Per ademhaling: 4 tot 5 normaal, 3 of minder traag, 6 of meer snel, 7 tot 8 jagend. Met de klok een volle minuut, bij een onregelmatige pols altijd; noteer beide; ezelsbrug: de adem voor de traditie, de klok voor de collega.
- Het verslag. Per kant en per positie, in de acht kenmerken; eerst wat je voelt, dan een naam, met je zekerheid en de omstandigheden (tijd, rust, eten, koffie, medicatie).
- Kwaliteiten zijn formules. Soggy: boven, dun, zacht. Weak: diep, dun, zacht. Thin: dun maar duidelijk. Minute: uiterst dun, er en niet er. Wiry: lang en strak als een snaar. Slippery: glad en rollend.
- Kalibreren. Voel dezelfde pols, schrijf elk apart, vergelijk per kenmerk en niet per naam. Met vaste definities waren twee beoordelaars het rond 80 procent eens (King 2002).
De rest van deze les is naslag.
Drie oefenvragen uit deze les
Welke vraag hoort bij het kenmerk lengte?
- Over hoeveel posities voel je hem?
- Hoe breed is hij onder de vinger?
- Hoeveel slagen per minuut?
Antwoord: Over hoeveel posities voel je hem?. Lengte: voorbij cun of chi (long), of maar op één positie (short).
Casus. Bij lichte druk voel je weinig en je denkt meteen: diep. Wat doe je eerst?
- Doordrukken en kijken of hij diep wél duidelijk is
- Deep opschrijven: wie licht weinig voelt, heeft een diepe pols
- Het tempo tellen en de diepte open laten
Antwoord: Doordrukken en kijken of hij diep wél duidelijk is. Kracht en diepte worden vaak verward. Diep betekent duidelijk voelbaar op het diepe niveau; is hij nergens duidelijk, dan is hij zwak en niet diep.
Een brede pols: is die altijd sterk?
- Nee: empty is breed en zacht, en wijkt bij druk
- Ja: breed betekent veel Qi, dus hij duwt terug
- Ja, als hij ook snel is: dan is hij vol
Antwoord: Nee: empty is breed en zacht, en wijkt bij druk. Breedte en kracht zijn twee kenmerken. Breed en krachtig is vol; breed en wijkend is leeg.
De rest van deze les
In de cursus volgen de uitleg in stappen met getekende tongen en polsgolven, 17 oefenvragen met casussen, 18 flashcards met gespreide herhaling, de valkuilen, de brug naar de fysiologie en de beeldtrainer. Deze les hoort bij module 2: Pols.